Peter van Dijk Orgelbouw in Nederland tussen 1965 en 1970
Het ORGEL 95 (1999), nr. 4, x-x [samenvatting]

De Nederlandse orgelbouw veranderde in de jaren 1960: de neobarokke principes maakten plaats voor historiserende ideeën. De veranderingen begonnen toen de restauratie van het orgel in de Hervormde Kerk te Loppersum, waarbij Lambert Erné als leidende figuur van de neobarokke beweging, werd bekritiseerd: Klaas Bolt en Willem Talsma meenden dat bij deze restauratie de oude klank verloren was gegaan. Hun oriëntering op oude klank was onder meer geïnspireerd door het werk van de orgelmakers Ahrend en Brunzema en Bernhardt Edskes. De controverse werd met name zichtbaar in heftig gestelde artikelen in het ORGEL. Erné stelde dat moderne orgelmakers uit het niets iets tot stand konden brengen; terwijl de 'oude' orgelmakers op traditie konden steunen.Talsma vond dat oude instrumenten veel leerden over hoe je je musiceren en orgelbouwen kon verbeteren. Verschillende projecten wakkerden de discussie aan: de bouw van het grote Metzler-orgel in de Grote Kerk te Den Haag, op initiatief van organist Adriaan Engels (1971); de verhuizing van het Walcker-orgel (1916) uit de Nieuwe Zuiderkerk te Rotterdam naar de Martinikerk te Doesburg (1972). In 1969 werden de verschillende standpunten tijdens congressen verder uitgewerkt: tijdens de Arp Schnitger Herdenking in Groningen stond de herontdekking van de klank van oude orgels, de werkwijze van hun makers etc. centraal; tijdens het NOV-congres in Utrecht werden dit alles juist ter discussie. Nieuwe orgels lieten horen dat het klankideaal veranderde: er werd naar meer klankbreedte gezocht. Tegelijk kwam er vanuit het zuiden van Nederland een herwaardering van 19de-eeuwse orgels op gang; onder meer gestimuleerd door Hans van der Harst. Erné overleed in 1971. In hoeverre er een causaal verband is, is niet duidelijk, maar feit is dat de historiserende richting zich vanaf 1971 verder heeft ontplooid en toonaangevend is geworden.