Artikelen

 

Jan R. Luth Duitse invloed op Nederlandse kerkmuziek na 1800
Het ORGEL 93 (1997), nr. 9, 29-36 [samenvatting]

Na 1800 beïnvloedden Duitse musici de Nederlandse kerkmuziek met name via leerlingen als Bastiaans en Van Eijken. Johannes Gijsbertus Bastiaans (1812-1875) studeerde te Dessau bij Friedrich Schneider aan de muziekschool en te Leipzig bij Felix Mendelssohn-Bartholdy en Conrad Friedrich Becker. Johannes Albertus van Eijken (1823-1868) studeerde te Leipzig bij Mendelssohn, Becker en Hauptmann en vervolgens te Dresden bij Johann Gottlob Schneider en bij Reissiger.

Johann Adam Hiller (1728-1804) was destijds een zeer progressieve kerkmusicus. Hij veranderde melodieën, maakte de 4/4-maat structureel en verving de modi door grote en kleine tertstoonladders. Interludia - in de 18de eeuw gebruikelijk - hadden voor Hiller alleen een praktische functie.

Carl Ferdinand Becker (1804-1877) oriënteerde zich meer op de 16de en 17de eeuw. Wel was hij een tegenstander van het spelen van interludia.

Friedrich Schneider (1786-1853) was voorstander van meerstemmige gemeentezang, die destijds werd bekritiseerd. Het spelen van interludia was voor hem vanzelfsprekend.

Verschillende Duitse invloeden zijn merkbaar in Nederland, zoals het in Duitse bronnen vaak geformuleerde a capella-ideaal. Evenals Becker oriënteerde Bastiaans zich op de kerkmuziek uit de 16de eeuw (Goudimel). Hij gaf twee koraalboeken uit en adviseerde 12 verschillende begeleidingstechnieken. Ook voor Van Eijken was Goudimel belangrijk. Een ander voorbeeld van Duitse invloed is de aandacht die Bastiaans en Van Eijken voor de modi hadden.

Van Eijken en Bastiaans waren het niet altijd eens: Van Eijken verdedigde het spelen van interludia, terwijl Bastiaans ze verwierp.

Niet in alle opzichten laten zich Duitse invloeden op de Nederlandse kerkmuziek in de eerste helft van de 18de eeuw vaststellen. De registratievoorstellen van Bastiaans en Van Eijken zijn bijvoorbeeld zo algemeen dat een vergelijking met de Duitse gewoonten niet zinvol is.